Het woord dendrochronologie is samengesteld uit drie Griekse woorden: dendron (boom), chronos (tijd) en logos (woord, ofwel ‘de leer van’).
Het onuitspreekbare woord betekent dus gewoon boomtijdkunde.
In onze klimaatstreken leggen bomen elk jaar tussen maart en oktober – in het groeiseizoen - onder de bast een nieuwe houtring aan. Boomtijdkundige dateringen worden gebaseerd op de jaarlijkse breedtevariaties van deze ‘jaarringen’. Wanneer de omstandigheden gunstig zijn, vormt een boom een brede jaarring, en bij ongunstige omstandigheden een smalle. De afwisselend smalle en brede ringen in een stuk hout vormen samen een archief van de jaarlijkse groeiomstandigheden van de boom.
Dendrochronologen werken graag met eikenhout. Omdat eiken erg oud kunnen worden, bevat het hout namelijk vaak veel jaarringen. En naarmate een stuk hout meer ringen bevat, is het beter dateerbaar. Andere dateerbare houtsoorten zijn beuk, iep en es, en naaldhoutsoorten zoals fijnspar, zilverspar en grove den.
Objecten
Houten objecten worden gedateerd door hun jaarringpatronen te vergelijken met de gemiddelde groeikalenders van bomen in vele gebieden van Europa. Deze ‘standaardkalenders’ kunnen duizenden jaren lang zijn. Van elke jaarlijkse waarde in zo’n kalender is het kalenderjaar bekend. Als de onderzoekers een houten object hebben gedateerd, weten ze in welk jaar elke groeiring in het hout is gevormd. Als ook de laatst gevormde ring – die direct onder de boomschors zat toen de boom werd omgehakt – in het houten object aanwezig is, weten ze nu ook het jaar waarin de boom werd omgehakt.
|

Doorsnede van een in veen aangetroffen eiken boomstam.
Microscopische opname van eikenhout.

Eiken Mariabeeldje,vroeg 16e eeuw.
De jaarringen zijn opgemeten langs de voet
|