|
Bomen nemen met hun wortels water en mineralen op uit de bodem. Terwijl het water door kleine openingen in de bladeren (de ‘huidmondjes’) verdampt, nemen ze door dezelfde openingen CO2 op uit de lucht. Dit zetten ze om in suikers en hormonen (fotosynthese).
Bij bomen in de gematigde klimaatzones vertraagt de fotosynthese aan het eind van de zomer en stopt wanneer de temperatuur onder een bepaalde grens daalt. Dan verliezen loofbomen hun bladeren en raken in een soort winterslaap. In het voorjaar, wanneer de temperatuur weer stijgt, ontwaken ze en lopen uit. Deze jaarlijkse cyclus vindt zijn neerslag in de groeiring die bomen jaarlijks vormen onder de bast.
Hoe breed een jaarring wordt, hangt af van de omstandigheden waarin de boom groeit. Gunstige groeiomstandigheden resulteren in een relatief brede, ongunstige in een relatief smalle jaarring. De groeiomstandigherden worden mede bepaald door het weer (temperatuur en neerslag).
Jaarlijkse weersomstandigheden gelden voor grotere gebieden. Een warme zomer in België zal ook betekenen dat de zomer in Nederland warm was. Hierdoor komen de patronen van gelijktijdig gegroeide bomen van dezelfde soort in grotere gebieden tot op zekere hoogte overeen. Dit betekent dat deze patronen, na opgemeten te zijn, onderling vergeleken en gematched kunnen worden (het principe van ‘kruisdateren’). |

Schema van boomgroei. Bodemsoort,
temperatuur en neerslag spelen alle een rol.

Eiken vormen tussen maart en oktober van elk jaar een groeiring. De voorjaarsvaten ontstaan tussen begin maart en medio mei.
|