|
De dendrochronologische methode werd in het begin van de vorige eeuw ontwikkeld in de Verenigde Staten. Andrew E. Douglass was de eerste die erin slaagde archeologische resten absoluut in de tijd te plaatsen.
Aan het eind van de jaren ‘30 kwam de dateringsmethode in Centraal Europa in gebruik. Eind jaren 60 volgden het klimatologisch meer maritieme Noord-Duitsland, Engeland en Ierland.
In Nederland ontstond belangstelling voor de dendrochronologie door een aantal geslaagde dateringen van schilderijpanelen. Uit het toenmalige onderzoek resulteerden enkele kalenders van Duits en Pools eiken. Hieraan leverde A.J. Brongers van de toenmalige Rijksdienst voor Oudheidkundig Onderzoek een belangrijke bijdrage, in samenwerking met onderzoekers van de Universiteit Hamburg (D. Eckstein, J. Bauch)
De grootste fractie van in Nederland na ca. 1000 gebruikt hout is van elders aangevoerd, en de herkomst varieert van het huidige België en geheel Duitsland tot het Balticum, Noorwegen, Zweden en zelfs Finland.
Toen eenmaal duidelijk was hoe divers de herkomst van in Nederland gebruikt eiken is, bleek daterende dendrochronologie in ons land voor deze periode vooral een kwestie van het gebruik van de juiste buitenlandse kalenders. Vanaf dat moment – tweede helft van de jaren ’80 van de vorige eeuw – kwam de daterende dendrochronologie in Nederland echt op gang.
Aanvankelijk werd bij het dateringsonderzoek vooral gebruik gemaakt van de door Hollstein (1980) gepubliceerde Centraal Europese standaardkalender en de daaraan ten grondslag liggende kleinere, regionale kalenders. Daarnaast gebruikte men twee kalenders die H. Tisje (Neu Isenburg, Duitsland) vervaardigde voor eiken gegroeid in Twente en Westfalen.
Naar buitenlands voorbeeld werd door De Vries van de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg een computerprogramma ontwikkeld ter berekening van statistische waarden die relevant zijn bij dendrochronologische dateringen. Het Instituut voor Prae- en Protohistorische Archeologie (IPP; Universiteit van Amsterdam) kreeg de beschikking over de dateringsprogrammatuur ontwikkeld aan de Queens University van Belfast. Ook werden door Jansma, als promovenda verbonden aan het IPP, methoden uit het buitenland overgenomen en verder ontwikkeld waarmee criteria vastgesteld kunnen worden voor de vervaardiging van kalenders met een regionale betekenis.
In 1995 publiceerde Jansma de eerste kalenders van in Nederland gegroeid eiken. Daarmee werd de daterende dendrochronologie ook toepasbaar op oudere perioden (2250 v.Chr.- 1000 n.Chr.). Sindsdien is het aantal beschikbare kalenders sterk toegenomen.
Dateringsonderzoek aan naaldhout is in Nederland wat later ontwikkeld. De basis hiervoor werd in 1996 en 1997 gelegd tijdens onderzoek naar in Rotterdam opgegraven 13de-eeuwse scheepsresten van dennenhout (zilverspar) en vurenhout (fijnspar), en in 1998 door Sass-Klaassen tijdens een door de RDMZ en de ROB gefinancierd experimenteel onderzoek naar in 14 monumentale panden toegepast dennen-, vuren- en grenenhout (grenen: grove den, Pinus sylvestris).
Ook nieuw zijn dateringen van loofboomsoorten zoals es (Fraxinus excelsior) en iep (Ulmus spp.). Deze soorten worden vooral aangetroffen in archeologische vindplaatsen uit de Romeinse tijd, en zijn voor bouwhistorici minder relevant. |