Uit het lineair aggregaatmodel blijkt dat de jaarlijkse groei van bomen een optelsom is van, ten eerste, invloeden die voor alleen de individuele boom golden (leeftijd van de boom, de schaduwrijkheid van de groeiplaats), ten tweede invloeden die golden voor de gehele standplaats (insectenplagen, bosbranden e.d.), en ten derde bovenlokale invloeden zoals het klimaat (temperatuur en neerslag).
Het kruisdateren van jaaringpatronen veronderstelt dat klimaatinvloeden het sterkst in het patroon vertegenwoordigd zijn. Dit is lang niet altijd het geval.
Door replicatie – het gebruik van meerdere jaarringpatronen uit dezelfde groeicontext of hetzelfde historische object - kan het omgevingssignaal in jaarringcurven worden geoptimaliseerd en de ‘ruis’ worden geminimaliseerd.
Optimalisering van het omgevingssignaal
De optimalisering van het omgevingssignaal wordt bereikt door (a) meerdere radii per stuk hout of boomstam te meten, (b) de radii te meten van andere stukken bouwhout en bomen uit dezelfde context, en (c) het gemiddelde van deze metingen te berekenen. In reeksen van gemiddelde groeiwaarden zijn groeivariaties in (delen van) individuele bomen afgezwakt ten gunste van het meer algemene, en voor datering zo belangrijke, omgevingssignaal.
|

|